Spreekwoorden 8: eten en drinken
15 veelgebruikte spreekwoorden en gezegden met eten en drinken. Met korte uitleg en voorbeelden voor kinderen van ongeveer 10 jaar.
Iets meteen geloven zonder goed na te denken. *** Hij zei dat er geen huiswerk was, maar ik nam dat niet zomaar [voor zoete koek aan]{.text-blue}.
Meteen betalen of meteen doen wat je belooft.
Als je mijn fiets wilt kopen, graag boter bij de vis: vandaag betalen.
Iets al van jongs af aan leren.
Thuis werd veel gezongen, dus muziek kreeg Sara met de paplepel ingegoten.
Het valt meestal minder erg uit dan het eerst lijkt. *** De toets leek moeilijk, maar [de soep werd niet zo heet gegeten als ze werd opgediend]{.text-blue}.
Alles is weer goed tussen mensen.
Na hun excuses was het tussen de vrienden weer koek en ei.
Iets helemaal niet begrijpen.
Van die rare som kon Bram geen chocola maken.
Zelf meemaken wat je een ander ook hebt aangedaan. *** Hij plaagde altijd anderen en werd nu zelf geplaagd: hij kreeg [een koekje van eigen deeg]{.text-blue}.
Iemand iets laten aannemen waar die eigenlijk niet op zit te wachten. *** Ze wilden de oude printer kwijt en [splitsten hem in de maag]{.text-blue} van de buurman.
Het mooiste extraatje bovenop iets wat al goed is. *** De prijs winnen was leuk, maar samen op het podium staan was [de kers op de taart]{.text-blue}.
Twee dingen vergelijken die eigenlijk te verschillend zijn. *** Een step en een fiets zijn niet hetzelfde; dan vergelijk je [appels met peren]{.text-blue}.
Iets heel goedkoop kopen.
Op de rommelmarkt kocht hij een spel voor een appel en een ei.
Genoeg geld verdienen om van te leven.
Door zijn nieuwe baan had papa weer brood op de plank.
Iets leuk gaan vinden en ermee door willen gaan.
Na één potje schaken had Noor de smaak te pakken.
Ergens iets over te zeggen hebben of invloed hebben.
De leerlingenraad heeft op school ook iets in de melk te brokkelen.
Hulp of advies dat te laat komt.
Na de toets uitleg geven over die som was mosterd na de maaltijd.