Je leert en onthoudt de belangrijkste woorden bij het onderwerp 'naar de supermarkt'.
Een [supermarkt]{.text-blue} is een grote winkel waar je eten en drinken koopt. *** Wij gaan naar de [supermarkt]{.text-blue} om boodschappen te doen.
[Boodschappen]{.text-blue} zijn de spullen die je koopt in de supermarkt. *** Ik doe één keer per week alle [boodschappen]{.text-blue}.
Een [boodschappenlijstje]{.text-blue} is een papiertje waarop staat wat je moet kopen. *** Ik schrijf melk en brood op mijn [boodschappenlijstje]{.text-blue}.
Een [winkelwagen]{.text-blue} is een kar op wielen waar je de spullen in legt. *** De [winkelwagen]{.text-blue} is al bijna vol met eten.
Een [mandje]{.text-blue} is een kleine bak met een handvat voor een paar boodschappen. *** Ik pak een [mandje]{.text-blue} omdat ik alleen melk nodig heb.
Een [schap]{.text-blue} is een plank in de winkel waar de producten op staan. *** De pindakaas staat op het bovenste [schap]{.text-blue}.
Een [gangpad]{.text-blue} is de ruimte tussen de schappen in de winkel. *** Ik loop door het [gangpad]{.text-blue} met de koekjes.
Een [vakkenvuller]{.text-blue} is een medewerker die nieuwe producten in de schappen zet. *** De [vakkenvuller]{.text-blue} zet de flessen cola in het schap.
Een [aanbieding]{.text-blue} is een product dat tijdelijk goedkoper is. *** De appels zijn deze week in de [aanbieding]{.text-blue}.
[Houdbaarheid]{.text-blue} geeft aan tot wanneer je een product kunt eten of drinken. *** Kijk goed naar de datum voor de [houdbaarheid]{.text-blue} van de melk.
De [kassa]{.text-blue} is de plek waar je de boodschappen betaalt. *** Ik sta in de rij bij de [kassa]{.text-blue}.
Een [caissière]{.text-blue} is de persoon die achter de kassa werkt. *** De [caissière]{.text-blue} scant mijn producten bij de kassa.
De [lopende band]{.text-blue} is de bewegende mat bij de kassa waar je spullen op legt. *** Ik leg al mijn producten op de [lopende band]{.text-blue}.
[Zelfscan]{.text-blue} is een manier om zelf je producten te scannen en te betalen. *** Ik gebruik de [zelfscan]{.text-blue} zodat ik niet in de rij bij de kassa hoef te staan.
Een [beurtbalkje]{.text-blue} is een staafje dat je op de lopende band legt om je boodschappen te scheiden. *** Leg het [beurtbalkje]{.text-blue} achter je boodschappen voor de volgende klant.
Een [klantenkaart]{.text-blue} is een pasje waarmee je punten of korting krijgt. *** Ik scan mijn [klantenkaart]{.text-blue} voor extra korting bij de kassa.
[Afrekenen]{.text-blue} is het betalen voor de spullen die je hebt gepakt. *** Na het scannen moet ik bij de kassa [afrekenen]{.text-blue}.
Een [bonnetje]{.text-blue} is een bewijs van wat je hebt gekocht en betaald. *** De caissière geeft mij het [bonnetje]{.text-blue}.
Een [tas]{.text-blue} gebruik je om je boodschappen mee naar huis te nemen. *** Ik neem mijn eigen [tas]{.text-blue} mee naar de supermarkt.
[Statiegeld]{.text-blue} is geld dat je terugkrijgt als je lege flessen inlevert. *** Ik lever de lege flessen in bij de automaat voor het [statiegeld]{.text-blue}.
Een supermarkt is een grote winkel waar je eten en drinken koopt.
Wij gaan naar de supermarkt om boodschappen te doen.
Boodschappen zijn de spullen die je koopt in de supermarkt.
Ik doe één keer per week alle boodschappen.
Een boodschappenlijstje is een papiertje waarop staat wat je moet kopen.
Ik schrijf melk en brood op mijn boodschappenlijstje.
Een winkelwagen is een kar op wielen waar je de spullen in legt.
De winkelwagen is al bijna vol met eten.
Een mandje is een kleine bak met een handvat voor een paar boodschappen.
Ik pak een mandje omdat ik alleen melk nodig heb.
Een schap is een plank in de winkel waar de producten op staan.
De pindakaas staat op het bovenste schap.
Een gangpad is de ruimte tussen de schappen in de winkel.
Ik loop door het gangpad met de koekjes.
Een vakkenvuller is een medewerker die nieuwe producten in de schappen zet.
De vakkenvuller zet de flessen cola in het schap.
Een aanbieding is een product dat tijdelijk goedkoper is.
De appels zijn deze week in de aanbieding.
Houdbaarheid geeft aan tot wanneer je een product kunt eten of drinken.
Kijk goed naar de datum voor de houdbaarheid van de melk.
De kassa is de plek waar je de boodschappen betaalt.
Ik sta in de rij bij de kassa.
Een caissière is de persoon die achter de kassa werkt.
De caissière scant mijn producten bij de kassa.
De lopende band is de bewegende mat bij de kassa waar je spullen op legt.
Ik leg al mijn producten op de lopende band.
Zelfscan is een manier om zelf je producten te scannen en te betalen.
Ik gebruik de zelfscan zodat ik niet in de rij bij de kassa hoef te staan.
Een beurtbalkje is een staafje dat je op de lopende band legt om je boodschappen te scheiden.
Leg het beurtbalkje achter je boodschappen voor de volgende klant.
Een klantenkaart is een pasje waarmee je punten of korting krijgt.
Ik scan mijn klantenkaart voor extra korting bij de kassa.
Afrekenen is het betalen voor de spullen die je hebt gepakt.
Na het scannen moet ik bij de kassa afrekenen.
Een bonnetje is een bewijs van wat je hebt gekocht en betaald.
De caissière geeft mij het bonnetje.
Een tas gebruik je om je boodschappen mee naar huis te nemen.
Ik neem mijn eigen tas mee naar de supermarkt.
Statiegeld is geld dat je terugkrijgt als je lege flessen inlevert.
Ik lever de lege flessen in bij de automaat voor het statiegeld.