Leer in 14 kaarten hoe je tekstbegrip onderwijst met inhoudelijke doelen, hardop denken, tekstgesprekken, herlezen en schrijven. Elk antwoord telt maximaal 200 tekens.
Een inhoudelijke vraag en een tekst die iets te ontdekken biedt. Leerlingen lezen, praten en denken om de betekenis te begrijpen. Een ingevuld werkblad is geen doel op zichzelf.
Koppel het doel aan de inhoud: ‘We onderzoeken waarom de rivier overstroomt’. Zo weten leerlingen waarvoor ze lezen en welke informatie zij moeten verbinden.
Lees de tekst zelf grondig. Kies belangrijke ideeën, lastige woorden en verbanden. Bepaal waar je iets voordoet, een vraag stelt of extra kennis aanbiedt.
Laat horen hoe je betekenis opbouwt: ‘Hier staat omdat; dit verklaart waarom hij vertrekt’. Verwijs naar de tekst en benoem hoe je een onduidelijkheid oplost.
Doe eerst voor, denk daarna samen en laat leerlingen vervolgens zelf toepassen. Geef hulp waar nodig en verminder die als het lukt. Zelfstandigheid groeit via begeleide oefening.
De vraag vraagt om nadenken over de inhoud en om onderbouwing. Bijvoorbeeld: ‘Waarom verandert haar plan? Welke passage laat dat zien?’ Richt vragen op belangrijke ideeën.
Laat hen een passende passage aanwijzen of parafraseren en uitleggen hoe die hun antwoord ondersteunt. Bespreek of andere aanwijzingen tot een andere interpretatie leiden.
Laat leerlingen eerst denken, dan hun ideeën uitwisselen. Vraag door, verbind bijdragen en keer terug naar de tekst. Nodig ook stille leerlingen uit met denktijd en gerichte steun.
Vraag naar een oorzaak, verband of tekstaanwijzing. Denk één stap voor of geef gerichte hulp. Laat de leerling daarna zelf uitleggen wat de passage betekent.
Als een inhoudelijke vraag of onduidelijkheid erom vraagt. Laat een passage herlezen om een verband, woord of interpretatie te controleren. Geef iedere herlezing een doel.
Laat leerlingen benoemen wie of wat centraal staat en wat daarover belangrijk is. Formuleer samen een korte kernzin en controleer of die bij de passage past.
Laat leerlingen de inhoud uitleggen, samenvatten of een antwoord met tekstbewijs schrijven. Bespreek daarna de redenering. Schrijven maakt zichtbaar welke verbanden zij leggen.
Bereid essentiële kennis en woorden voor, lees zo nodig delen voor en bespreek lastige passages. Laat leerlingen met steun denken over de rijke inhoud.
Laat leerlingen de inhoudelijke vraag beantwoorden en hun antwoord onderbouwen. Kijk welke kennis en verbanden zij gebruiken. Kies op basis daarvan wat je herhaalt of verdiept.