Oefen de woorden en kennis bij het stappenblad ‘Mijn verslag’. Leer hoe je duidelijk vertelt over iets wat je hebt gedaan of meegemaakt, met feiten en een goede volgorde.
Een tekst waarin je vertelt over iets wat echt is gebeurd, zoals een uitstapje of een proefje.
Dat waarover je schrijft, bijvoorbeeld het bezoek van je klas aan de boerderij.
Iets wat je kunt controleren. Bijvoorbeeld: we gingen dinsdag naar de boerderij.
Wat iemand ergens van vindt. Bijvoorbeeld: ik vond de geiten het leukst.
Korte woorden of zinnen waarmee je onthoudt wat je hebt gezien, gehoord of gedaan.
De lezer was er misschien niet bij. Die heeft genoeg uitleg nodig om je verslag te begrijpen.
Je wilt de lezer vertellen wat er echt gebeurde.
Dan begrijpt de lezer wat eerst gebeurde en wat daarna kwam.
Dan blijft je verslag duidelijk. Je hoeft niet elk klein ding op te schrijven.
Dan weet de lezer wat er gebeurde en wat jij ervan vond.
Wie was erbij? Wat gebeurde er? Waar en wanneer? Hoe ging het en waarom?
Vertel kort waarover het gaat, wie erbij waren en waar en wanneer het gebeurde.
Vertel de belangrijke gebeurtenissen in volgorde. Gebruik woorden als eerst, daarna en ten slotte.
Vertel hoe het afliep of wat je hebt geleerd. Geef je een mening? Schrijf dan: ‘Ik vond …’.
Lees na: kloppen de feiten en de volgorde? Laat iemand meelezen. Verbeter onduidelijke zinnen en spelfouten.