Oefen de woorden en kennis bij het stappenblad βMijn kort verhaalβ. Leer over personages, plek en tijd, gebeurtenissen, details en een passend einde.
Iemand die in je verhaal voorkomt. Het belangrijkste personage noem je de hoofdpersoon.
Hoe je personage is, bijvoorbeeld vrolijk, verlegen of nieuwsgierig.
Waar en wanneer het gebeurt, bijvoorbeeld op het schoolplein na de les.
Iets wat gebeurt. Bijvoorbeeld: er springt een kikker uit je tas!
Kleine dingen die je precies beschrijft, zoals een krakende deur of koude handen.
Dan weet je wat je in het begin, het midden en het einde wilt vertellen.
Iets grappigs of onverwachts maakt de lezer nieuwsgierig naar wat er verder gebeurt.
Die helpen de lezer te begrijpen in welke volgorde dingen gebeuren.
Dan kan de lezer zich voorstellen hoe het is om erbij te zijn.
Dan merk je wat de gebeurtenissen hebben gedaan. Je personage heeft bijvoorbeeld iets geleerd.
Kies een naam, een leeftijd en een paar eigenschappen. Bijvoorbeeld: Noor is acht en nieuwsgierig.
Vertel wie de hoofdrol speelt en waar die is. Maak nieuwsgierig: βNoor hoorde gepiep in haar tas.β
Vertel wat nu anders is. Eerst durfde Noor niets te vragen. Nu vraagt ze om hulp.
Kies een korte naam die bij je verhaal past en nieuwsgierig maakt, zoals βGepiep in mijn tasβ.
Lees hardop en controleer de volgorde. Verbeter spelfouten, hoofdletters, punten en andere leestekens.