2F-basis binnen Verhoudingen: bepalen wat het deel, het geheel of het percentage is in praktische situaties met procenten.
25%. 15 is een kwart van 60.
30%. 45 : 150 = 0,30 = 30%.
40%. 120 : 300 = 0,40.
40 euro. 14 : 0,35 = 40.
25%. 8 is een kwart van 32.
30%. De stijging is 15; 15 : 50 = 0,30.
8%. De daling is 8 van de oorspronkelijke 100.
3,5%. 7 : 200 = 0,035 = 3,5%.
50%. 11 is de helft van 22.
85%. 68 : 80 = 0,85.
72 euro. 10% is 24, dus 30% is 72.