Leer in 16 kaarten hoe taalbegrip, kennis en woordlezen bijdragen aan tekstbegrip. Met woordenschat, zinsbegrip, verwijzingen, inferenties, tekststructuur en het controleren van begrip. Elk antwoord telt maximaal 200 tekens.
Je vormt een samenhangend beeld van wat de tekst vertelt. Je verbindt woorden en zinnen met elkaar en met je kennis, zodat je de boodschap en verbanden kunt uitleggen.
Woorden kunnen lezen én de taal begrijpen. Als één daarvan moeilijk is, kan tekstbegrip vastlopen. Kijk daarom afzonderlijk naar woordlezen en taalbegrip bij het kiezen van hulp.
Door voorlezen en gesprekken leren kinderen verhalen, woorden en verbanden begrijpen. Bij begrijpend luisteren oefenen zij taalbegrip zonder dat zelf decoderen de aandacht vraagt.
Een tekst legt niet alles uit. Kennis helpt ontbrekende informatie aanvullen en nieuwe informatie plaatsen. Bouw relevante kennis op, zodat alle leerlingen toegang tot de inhoud krijgen.
Kennis maakt teksten begrijpelijker; begrepen teksten leveren nieuwe kennis op. Lees daarom samenhangende teksten over een onderwerp en verbind nieuwe inzichten aan eerdere kennis.
Een woord begrijpen vraagt ook kennis van gebruik, verbanden en mogelijke betekenissen. Bespreek voorbeelden en laat het woord terugkomen in gesprekken en andere teksten.
Kies enkele woorden die nodig zijn voor begrip. Leg ze kort uit met voorbeelden of beelden, vóór of tijdens het lezen. Laat leerlingen ze daarna gebruiken en verbind ze aan de inhoud.
Dezelfde woorden kunnen door de zinsbouw iets anders betekenen: ‘De hond volgt de kat’ verschilt van ‘De kat volgt de hond’. Bespreek wie wat doet en hoe zinsdelen samenhangen.
Woorden als ‘zij’, ‘dit’ en ‘daar’ verwijzen terug of vooruit. Laat leerlingen bepalen waarnaar ze verwijzen. Zo verbinden ze informatie tussen zinnen en voorkomen ze misverstanden.
Ze geven relaties aan: omdat introduceert een reden, maar vaak een tegenstelling. Bespreek het verband in de zin; alleen het verbindingswoord aanwijzen toont nog geen begrip.
Een gevolgtrekking die niet letterlijk in de tekst staat. Je verbindt tekstinformatie met relevante kennis. Laat leerlingen uitleggen welke aanwijzingen hun conclusie ondersteunen.
Het regent misschien, of Sam verwacht regen. De paraplu en onze kennis ondersteunen dat. De tekst bewijst niet dat het regent: bespreek ook andere mogelijke verklaringen.
Een lezer die bijvoorbeeld oorzaak-gevolg of probleem-oplossing herkent, kan belangrijke informatie verbinden en onthouden. Maak de opbouw zichtbaar met de inhoud van de tekst.
Je kunt een passage niet uitleggen of informatie past niet bij elkaar. Doe voor hoe je dan herleest, een woord verduidelijkt of een verband zoekt. Leer kinderen hun begrip controleren.
Het zijn hulpmiddelen om de inhoud te begrijpen, zoals herlezen of vragen stellen. Kies een strategie als die helpt bij deze tekst. De betekenis is het doel, niet het afwerken van een stappenlijst.
Kijk naar woordbetekenissen, relevante kennis, zinsbegrip en het leggen van verbanden. Laat het kind bij een passage denken en vertellen. Vlot woordlezen alleen garandeert geen tekstbegrip.