Oefen de woorden en kennis bij het stappenblad โMijn stripverhaalโ. Leer over stripvakjes, tekstballonnen, leesvolgorde en vertellen met tekeningen.
Een verhaal dat je vertelt met tekeningen in vakjes. Er kunnen ook woorden bij staan.
Iemand die in je strip voorkomt. De hoofdpersoon speelt de belangrijkste rol.
Een vak met een tekening die een moment uit je verhaal laat zien.
Een ballon met woorden die iemand zegt. Het staartje wijst naar wie praat.
Een wolkje met wat iemand denkt. Kleine bolletjes wijzen naar het personage.
Dan weet je wat er in het begin, het midden en het einde gebeurt.
Dan snapt de lezer wat eerst gebeurt en wat daarna komt.
Dan ziet de lezer dat het dezelfde persoon is. Gebruik bijvoorbeeld steeds dezelfde pet.
Dan past de tekst goed en kan de lezer hem makkelijk lezen. De tekening vertelt ook iets.
Zo ziet de lezer hoe iemand zich voelt, bijvoorbeeld blij, boos of bang.
Teken voor elk belangrijk moment een vakje. Laat zien wat eerst, daarna en aan het einde gebeurt.
Teken de plek en je hoofdpersoon in het eerste vakje, bijvoorbeeld Noor op het schoolplein.
Voor deze strip: van links naar rechts en van boven naar beneden. Zet ballonnen ook in leesvolgorde.
Teken streepjes achter iets dat beweegt. Schrijf een geluid erbij, zoals BOEM of PLONS.
Laat iemand je strip lezen. Snapt die de volgorde, de ballonnen en het einde? Verbeter wat onduidelijk is.