Leer wat je moet weten voordat je met het stappenplan voor een avonturenverhaal begint. Ontdek wie iets beleeft, wat er misgaat en wat een verhaal spannend maakt.
Een verhaal waarin iemand iets spannends beleeft en problemen probeert op te lossen.
Degene om wie het verhaal vooral draait. Dat kan ook een dier of een fantasiefiguur zijn.
Waar je avontuur gebeurt, bijvoorbeeld in een bos of een oud kasteel.
Iets wat misgaat of in de weg zit. Bijvoorbeeld: de brug is kapot.
Hoe het probleem wordt aangepakt. Bijvoorbeeld: de hoofdpersoon vindt een andere weg.
Dan weet de lezer waar het om gaat, zoals een verdwaalde hond vinden.
Een hindernis maakt het spannend. De lezer wil weten of het toch gaat lukken.
Dan kan de lezer zich het avontuur voorstellen, bijvoorbeeld 's nachts in een bos.
Dan leeft de lezer mee en snapt die waarom je hoofdpersoon iets doet.
Dan kan de lezer het verhaal volgen. Wat er gebeurt, heeft een reden of een gevolg.
Laat weten wie je hoofdpersoon is en waar die is. Laat daarna het avontuur beginnen.
Je hoofdpersoon probeert het probleem op te lossen. Er kan iets nieuws misgaan.
Laat iets horen of zien, maar verklap nog niet alles: 'Achter de deur klonk gekras.'
Beschrijf wat die voelt of doet: 'Sam trilde en kneep in mijn hand.'
Vertel hoe het avontuur afloopt en wat er met je hoofdpersoon gebeurt.