Leer in 16 kaarten hoe je kinderen met expliciete instructie, herhaling en begeleide oefening leert lezen. Van klank-tekenkoppelingen en samenvoegen naar woorden, zinnen en begrip. Elk antwoord telt maximaal 200 tekens.
Ze leren letters en lettercombinaties aan klanken koppelen en daarmee woorden en zinnen lezen. Je bouwt tegelijk aan nauwkeurigheid, vlotheid en begrip.
Je legt uit en doet voor hoe je leest. Daarna oefen je samen en laat je kinderen zelf oefenen met feedback. Je maakt de denkstappen zichtbaar, zodat kinderen weten wat ze moeten doen.
Je volgt een geplande opbouw van klank-tekenkoppelingen en woordtypen. Nieuwe stappen sluiten aan op het geleerde. Je controleert de beheersing en past oefening en ondersteuning aan.
Om klanken te kunnen samenvoegen tot een woord. Zeg bij m /m/, niet ‘em’. Voeg geen extra klinker toe, zoals ‘muh’; die maakt het samenvoegen lastiger.
Wijs van links naar rechts en verbind de klanken zo soepel mogelijk: /mmm-aa-n/ wordt ‘maan’. Laat kinderen meedoen en daarna zelf lezen. Vermijd lange pauzes tussen klanken.
Een klank kan door meerdere letters worden weergegeven. In ‘boek’ vormen o en e samen oe. Leer kinderen die combinatie als geheel herkennen en aan de juiste klank koppelen.
Oefen het samenvoegen expliciet met korte woorden van bekende letters. Doe het soepel voor, lees samen en geef feedback. Alleen meer letters benoemen oefent deze stap onvoldoende.
Nieuwe kennis bouwt op eerdere kennis. Laat bekende koppelingen terugkomen tussen nieuwe en gebruik ze in woorden en zinnen. Zo blijft het geleerde beschikbaar bij het lezen.
Kies teksten met veel woorden die passen bij de geleerde klank-tekenkoppelingen. Bied hulp bij onbekende patronen. Blijf daarnaast rijke teksten voorlezen voor taal en kennis.
In samenhangende tekst passen kinderen woordlezen toe en oefenen ze vlotheid en begrip. Geef begeleiding en feedback. Losse woorden oefenen blijft nuttig naast het lezen van tekst.
Wijs op aa en laat de bijbehorende klank zeggen. Help het woord opnieuw samenvoegen. Laat daarna de hele zin herlezen. Geef gerichte hulp bij de fout en laat het kind zelf opnieuw lezen.
Bij lezen ga je van letters naar klanken; bij spellen van klanken naar letters. Laat kinderen woorden met geleerde koppelingen lezen, in klanken verdelen en schrijven.
Richt de aandacht op alle letters en help het woord decoderen. Gebruik de zin om achteraf betekenis te controleren. Een plaatje kan begrip ondersteunen, maar vervangt het woordlezen niet.
Woorden lezen garandeert geen tekstbegrip. Bespreek betekenissen en verbanden en bouw kennis op via gesprekken en voorlezen. Technisch lezen en taalbegrip moeten samen groeien.
Bepaal welke stap lastig is en geef extra expliciete instructie en begeleide oefening, individueel of in een kleine groep. Volg het effect. Extra hulp komt bovenop het basisaanbod.
Luister naar het lezen en kijk welke koppelingen en handelingen beheerst zijn. Combineer observaties met toetsinformatie. Kies oefening of een nieuwe stap op basis van wat het kind nodig heeft.